De gebeurtenissen (lotgevallen) in het leven van Hendrik Harber (Henk) de Leeuw van Weenen (1902) en Johanna (Jo) Edelschaap (1917).
Henk behoort tot de 4e generatie de Leeuw van Weenen.
Inhoud:
- Schooltijd Rotterdam (1911 – 1914)
- Op eigen benen (1922 – 1936)
- Varen met de Constant
- Begin van hun huwelijk (1937 – 1939)
- De oorlogsjaren (1940 – 1945)
- Na de oorlog in Vlaardingen (1945 – 1953)
- Kinderen
- Varen met de Prima (1945 – 1948)
- Varen met de Helene (1948 – 1960)
- Begintijd Haarlem (1953 – 1960)
- Varen met de Carpe Diem (1960 – 1970)
- Kinderen uit huis (1970 – 1987)
- Hun laatste jaren (1988 – 1994)
Schooltijd Rotterdam (1911 – 1914)

De oudste zoon van Piet en Bets, Hendrik Harber (Henk), woont gedurende de schooltijd, net als eerder zijn oudere zus Jo, in Rotterdam. Hij verblijft vanaf maart 1911, 8 jaar oud, eerst bij zijn grootouders van vaderszijde, Cees en Mina de Leeuw van Weenen, in de Paul Krügerstraat. Wanneer zij weer gaan varen, woont Henk vervolgens bij zijn tante Sanna (van Suzanna). In de weekeinden logeert hij bij zijn grootouders van moederszijde, Hendrik Harber Volker en grootmoeder Teuntje, die in Rotterdam aan de Maaskade wonen. Deze periode duurt tot juni 1914, Henk is dan bijna 12 jaar.
De leerplicht omvatte, beginjaren 1900, voor schipperskinderen 3 jaar. Gedurende die tijd woonden ze dan aan de wal. Om in die drie jaar maar zoveel mogelijk te kunnen meegeven, organiseerden scholen voor schipperskinderen lange lesdagen, ook avondlessen, en een speciaal programma met nadruk op de vakken die men voor schippers van belang achtte: lezen, rekenen, schrijven van brieven en aardrijkskunde. Pas in 1915 werd in Vreeswijk de eerste schippersschool met internaat opgericht.
Op eigen benen (1922 - 1936)

Vanaf april 1918 vaart oudste zoon Henk, dan 15 jaar, eerst samen met zijn vader op de Azolla. Twee jaar later komt dan ook de rest van het gezin weer aan boord wonen. Henk zal met enkele onderbrekingen nog zeven jaar aan boord blijven.
Van februari 1922 tot maart 1923 is hij afwezig vanwege militaire dienst en van november 1924 tot maart 1925 bezoekt hij de zeevaartschool in Groningen. Daarna vaart hij met tussenpozen ook op andere schepen: in 1927 op de Anna en in 1928 als stuurman op de nieuwe Flying Dutchman.
In 1929 koopt vader Piet op een veiling het stalen motorzeilschip Markab, een betrekkelijk nieuw maar zeer verwaarloosd schip. Piet is de eigenaar, er wordt ook voor zijn rekening gevaren, maar het schip komt op naam van zoon Henk (27 jaar). Zijn broer Piet (18 jaar) stapt bij hem aan boord. De broers Cees (bijna 22) en Teun (16) blijven eerst bij hun vader aan boord van de Azolla, maar varen later afwisselend ook wel mee op de Markab.
Henk en Piet maken heel wat reizen in het gebied Engeland, Schotland, Zweden, Noorwegen, Denemarken, Noord-Duitsland (zowel Noord- als Oostzee). Met behulp van ansichtkaarten wordt het thuisfront nauwgezet van de reizen op de hoogte gehouden. Dit gaat vaak via zus Jo die na haar huwelijk met Jan van Zoelen aan de wal woont.
De investering in het schip blijkt goed te renderen en Piet en zoon Henk durven het aan om een nieuw schip te laten bouwen. In september 1931 wordt de Markab verkocht. De drie broers Henk, Cees en Teun brengen het schip naar St Malo (Bretagne, West Frankrijk) en maken er een vakantie van met een uitstapje naar Parijs. Het schip is dan krap 2,5 jaar in bezit van de familie geweest.
Ten behoeve van de bouw van het nieuwe schip kiest vader Piet voor de vorm van een naamloze vennootschap: de N.V. Scheepvaart Maatschappij ‘Wopo’ (Dordrecht). Piet en Henk zijn samen eigenaar, Piet is directeur. Aan een werf in Deest (aan de Waal nabij Nijmegen) geven ze opdracht om de kustvaarder Constant te bouwen.
Begin 1932 vaart Henk nog een half jaar op de Joma tot in juni de nieuwgebouwde Constant te water gelaten wordt. Vanaf dat moment houdt Henk fulltime toezicht op de afbouw van de Constant. In oktober 1932 wordt met varen begonnen.
Varen met de Constant
Henk vaart veel met één of meerdere van zijn broers. Dit blijkt een rendabele onderneming en binnen enkele jaren koopt Henk zijn vader uit en wordt hij zelf enig eigenaar van het schip.
Maar varen kent ook risico’s die kunnen uitmonden in forse tegenslagen.
Op 6 december 1934 vertrekt het schip van Hamburg naar Stockholm met vaten smeerolie. Op 9 december bij mistig weer strandt het schip op de stenen bij de westkust van Bornholm, een Deen Deens eiland onder Zweden. Met bergers wordt een deel van de lading gelost. Het schip komt hiermee weer vrij. Na duikeronderzoek en een voorlopige reparatie kan de reis naar Stockholm voortgezet worden. Begin januari is het schip op een werf (Gustav Wolkau) in Hamburg definitief gerepareerd. Elf bodemplaten blijken schade te hebben.
Op 19 december 1935 vertrekt de Constant uit Memel (Nu: Klaipėda in Litouwen) met een lading hout bestemd voor Zwolle. Stuurman Willem Pomp vaart te strak langs de Noord-Hollandse kust en in de vroege ochtend van eerste kerstdag strandt het schip op een zandbank tussen Callantsoog en Petten. Een reddingboot en een sleepboot varen uit ter assistentie. Aangenomen vletterlieden kunnen echter een deel van de deklast (zo’n 10% van de lading) overboord zetten, waarop het schip halverwege de middag weer vlot komt. Het schip heeft gelukkig geen schade.
Beide gebeurtenissen halen de pers (zie onder Persberichten) en zullen lastig geweest zijn om te verwerken.
Begin van hun huwelijk (1937 - 1939)

In 1937 leert Henk door zijn latere zwager Kees van der Have de 15 jaar jongere Johanna (Jo) Edelschaap (1917) kennen.
Jo is de jongste dochter van Willem Edelschaap (1889) en Alida Maria Vos (1989). Willem is pakhuisbaas en inkoper van groente en fruit in Rotterdam aan de Jonker Fransstraat 85. Jo heeft een vier jaar oudere zus Martha en Jo helpt haar met 14 jaar al met naaiwerk. Vanaf haar 17-de werkt ze als serveerster in de wat betere zaken zoals Hek, Atalanta en de Bijenkorf. Ze is blijkbaar goed in haar vak want bij een serveerwedstrijd wint ze ooit de eerste prijs: een vliegreis naar de wereldtentoonstelling in Brussel.
In maart 1938 trouwen Henk en Jo op vrij korte termijn. Er is geen uitgebreid feest, want vader Edelschaap kampt met hartproblemen. Naaste familieleden zijn wel aanwezig. Na de bruiloft stapt Jo aan boord van de Constant en vaart mee als kapiteinsvrouw. Geen sinecure voor een jonge dame die in de stad opgegroeid is!
Wanneer Jo zwanger is en de geboorte nadert, gaat ze tijdelijk bij haar ouders wonen. Haar vader is inmiddels afgekeurd i.v.m. hart- en maagklachten en ze wonen een paar maanden in Hellevoetsluis. Hier wordt in maart 1939 dan de eerste zoon Pieter Willem (Piet) geboren. Vrij snel na de geboorte woont Jo met zoon Piet alweer aan boord van de Constant.
In september 1939 raakt Henk door zijn zwager Kees van der Have betrokken bij de oprichting van de N.V. Toussaint & Co, een bedrijfje voor het produceren van cosmetische artikelen (nagellak en poeders). De scheikundige J.P.C.H Toussaint blijkt echter minder deskundig dan gehoopt en kan gemaakte beloftes en gewekte verwachtingen niet nakomen.
De oorlogsjaren (1940 – 1945)
Mei 1940 worden België en Nederland aangevallen door Duitsland en breekt ook hier de tweede wereldoorlog uit. Het centrum van Rotterdam wordt door bombardementen volledig verwoest en 15 mei is de capitulatie van Nederland een feit. Veel schepen worden in beslag genomen (zo ook de Azolla) of moeten onder dwang voor Duitsland varen.
Bij het bombardement van Rotterdam verliezen zowel Jo’s ouders als haar zus en zwager hun huis. Ze wonen dan tijdelijk aan boord van de Constant die dan vast ligt in de haven van Vlaardingen. Ook de firma Toussaint is getroffen en wordt nog korte tijd voortgezet in het ruim van de Constant. Zwager Kees breekt met Toussaint en korte tijd later ook Henk. De firma kost meer geld dan ze oplevert.
In november 1940 wordt de Constant verkocht. Zoals gebruikelijk (de nieuwe eigenaar moet er zo mee kunnen wegvaren) blijven niet alleen gereedschappen, maar ook meubels, serviesgoed en linnengoed aan boord achter. Henk en Jo huren een huis in de Hoogstraat 29 in Vlaardingen en kunnen dit inrichten voor een bedrag van rond 980 gulden. Dit is inclusief een ‘wasbok’ voor de wekelijkse was, een uitklapbare houten constructie met twee wasteilen en daartussen een standaard voor de wringer. Pas omstreeks 1948 komt de eerste wasmachine in huis.
De ouders Edelschaap komen in een noodwoning (spoorwagon) aan de Dorpsweg in Rotterdam-Charlois te wonen.
Henk koopt in de oorlog verschillende pleziervaartuigjes, kleiner of groter, die hij opknapt en dan weer doorverkoopt. Hij vergeet niet om er ook zelf vaarplezier van te hebben. Ze varen ook wel met een roeiboot met zeiltuig van Vlaardingen naar Dordrecht om daar familie te bezoeken, een nachtje over te blijven en de volgende dag over de Oude Maas weer terug te varen. In de laatste oorlogsjaren wordt de roeiboot belangrijk voor de zoektochten naar voedsel in de omgeving; ze kunnen daarmee plaatsen en boerderijen opzoeken waar de vele anderen te voet niet gemakkelijk kunnen komen.
In de winter van 1941/42 trekken de ouders Edelschaap vanwege de bittere kou in bij het gezin van Henk en Jo. De koude wind blaast tussen de planken van de spoorwagon zo naar binnen. Wanneer vader Willem op een dag iets wil ophalen in de spoorwagon komt hij op straat te overlijden.
In november 1943 wordt op de Hoogstraat de tweede zoon Willem Hendrik (Wim) geboren.
Na de oorlog in Vlaardingen (1945 – 1953)
Mei 1945 komt er een einde aan de tweede wereldoorlog en is er spoedig weer gelegenheid om in dienstverband te gaan varen. Van oktober 1945 tot mei 1948 werkt Henk voor de firma Dammers & van der Heide als kapitein op de Prima (zie navolgend).
Door de slechte voeding in de laatste oorlogsjaren zijn de ogen van Henk achteruit gegaan en hij vreest na de oorlog niet meer door de oogkeuring heen te komen. Dit is aanleiding voor Jo om plannen te maken hoe zij eventueel voor de kost zou kunnen zorgen. Gelukkig eindigt de oorlog en gaat het met de ogen van Henk beter; hij mag weer varen. Hoewel niet noodzakelijk haalt Jo toch haar diploma coupeuse (1946) en haar middenstandsdiploma (1947) om zo nodig een eigen zaak te kunnen beginnen.
Henk heeft de hoop dat hij na de oorlog het schip Constant weer in bezit zou kunnen krijgen en neemt hiervoor contact op met een advocaat. Omdat het schip destijds echter verkocht en niet in beslag genomen is, blijkt dit niet mogelijk (zie brief dd 28-1-1946).

In 1947 verhuist Henk met zijn gezin naar Spoorsingel 13 in Vlaardingen (huurhuis). Voor het huis een brede strook gras, een sloot en direct daarachter de hoge spoordijk. Voor de kinderen een mooie gelegenheid om te spelen, maar de sloot is voor de jongsten ook wel een risico.
Vanaf september 1948 werkt Henk voor de firma Joh. Kuijten, een import- en exportbedrijf voor paling in Spaarndam (noordelijk van Haarlem). Hij is dan kapitein op het relatief kleine bunschip Helene waarmee levende paling vervoerd wordt. Hij zal hier werkzaam blijven tot aan zijn pensionering.
Waarschijnlijk in 1948 koopt Henk op een veiling een roestig casco van een veer- of melkbootje, zonder opbouw of motor, daterend van eind 19de eeuw. Het schip is rond 19 meter lang en hij is van plan het in loop van de jaren zelf op en om te bouwen tot vakantieschip om met groepen te varen. Hij volgt hiermee het voorbeeld van zijn vader Pieter die in de jaren voor de oorlog ook wel met studentengroepen voer.
’s Zomers wordt er bij de firma Kuijten niet gevaren (geen palingseizoen) en zo heeft Henk in de zomermaanden tijd en ruimte om aan het eigen schip te werken. Een familielid maakt de tekeningen. In 1948 is de stalen opbouw en de houten stuurhut gereed en een tweedehands dieselmotor ingebouwd. Het schip heeft inwendig nog geen betimmering, maar is wel wind- en waterdicht. In 1952 vaart Henk de Carpe Diem (‘pluk de dag’), zoals het schip inmiddels heet, naar Spaarndam. Daar zal het in de jaren die volgen een ligplaats hebben aan het terrein van de firma Joh. Kuijten.
Vanaf februari 1948 tot juni 1950 werkt Jo voor de firma Octerno (zie contracten en bord naast de voordeur op verschillende foto’s) om korsetten aan te meten. Hiervoor was een hoek van de kamer afgeschoten met een gordijn. Ze werkt thuis met de bedoeling beschikbaar te zijn voor de kinderen. De huisarts (dr. Leegsma) stuurt patiënten naar haar door. Met het spaargeld van voor haar huwelijk en het verdiende geld bij Octerno koopt Jo later het huis op de Vondelweg in Haarlem. Een eigen huis te hebben is een oude droom.
In mei 1949 wordt op de Spoorsingel dan de jongste zoon Jacobus Johannes (Jaap) geboren.
Kinderen
Henk en Jo hebben de volgende kinderen gekregen:
| Naam | Geboren |
1 | Pieter Willem (Piet) | 20-03-1939 |
2 | Willem Hendrik (Wim) | 27-11-1943 |
3 | Jacobus Johannes (Jaap) | 27-05-1949 |
Varen met de Prima (1945 - 1948)

Oktober 1945 komt Henk in dienst van de firma Dammers & van der Heide. Een van hun schepen (de ‘Prima’) is in de oorlogsjaren zwaar beschadigd en wordt in Rotterdam weer vaarklaar gemaakt. Henk overziet de herstelwerkzaamheden op de scheepswerf en kan met de fiets naar zijn werk. Jo maakt in die periode een wanddoek, waarop Henk met zijn fiets onderweg is tussen huis en schip (zie 402-0011).

Vanaf voorjaar 1946 tot mei 1948 vaart Henk dan op de Prima. Jo vaart twee reizen mee.
Een eerste keer in de zomer van 1946, als ze nog in de Hoogstraat wonen, neemt ze alleen zoontje Wim mee. Oudere zoon Piet logeert in deze tijd bij oom Jan en tante Jo van Zoelen op de woonark in Uitgeest.
De tweede reis is in de zomer van 1947, het jaar van de verhuizing naar de Spoorsingel. Dit keer gaan beide zonen, zowel Piet als Wim, mee.
In 1947 krijgt de Prima radiotelefonie aam boord. Henk volgt een cursus bij Scheveningen radio en ontvangt zijn certificaat van bekwaamheid als radiotelefonist. Er komt dan ook op de spoorsingel thuis telefoon in huis. Oudste zoon Piet krijgt instructies voor het geval zijn vader belt en zijn moeder niet thuis is: “Vraag waar hij is, hoe het weer is en wanneer hij op de bestemming aankomt. Praat niet over eventuele problemen in huis, daar kan hij aan boord toch niets mee doen.”
De verstandhouding aan boord en/of met de reder is niet zo goed. In mei 1948 neemt Henk nogal onverwacht zijn ontslag. Jo hoort hier pas van wanneer ze in een auto zit onderweg naar de Prima (in Antwerpen?) en daarin ook de vrouw van de nieuwe kapitein aantreft.
Varen met de Helene (1948 - 1960)
Het motorschip ‘Helene’ is een palingbunschip gebouwd in 1930 in opdracht van de heer Johan (Johannes Hendrikus) Kuijten, vishandelaar te Zwolle. Het werd vernoemd naar zijn dochter, die net als haar moeder, Helena heette.
Achtergrond van de familie Kuijten en de palinghandel
Johan Kuijten (Johannes Hendrikus, de ‘oude heer’ Kuijten) was een ondernemend man. Hij kwam al sinds 1895 in Engeland en al varend langs de oostkust van Engeland leverde hij paling af bij de Londense vismarkt Billingsgate. In de jaren ’20 ontdekt hij dat je met een schip in de Blackwater rivier, in de buurt van Maldon, prima kon aanmeren met een schip en de paling vervolgens met een vrachtauto naar de markt in Londen kon brengen. Op die plek was ook de kwaliteit van het open water, op de overgang van zout naar zoet water, gunstig voor het bewaren van de levende paling. De ‘oude heer’ vestigde zijn bedrijf bij Heybridge Basin en sinds 1924 leverde hij, als Nederlandse ‘palingkoning’, grote hoeveelheden aan de Engelse markt.
De paling, die levend op de markten aangeleverd moest worden, werd internationaal ingekocht en per schip opgehaald. Eerst (sinds 1923?) met het scheepje Hans (19,5 m lang). In 1926 laat Johan Kuijten het schip ‘Hans II’ (27,5 m) bouwen en in 1930 de nog grotere ‘Helene’. De ‘Helene’ kwam elk jaar (met uitzondering van de oorlogstijd) één of meerdere keren in Kerteminde (vlakbij Odensee, Denemarken). Ook in Larne (Noord-Ierland) werd paling geladen uit het zoetwatermeer Lough Neagh en vandaar naar Heybridge getransporteerd.

In 1937 komt de leiding van het bedrijf in Heybridge (Live Eel Supply Co. Ltd.) in handen van zoon Hans Kuijten die met een Engelse (Doris) getrouwd is. Paling wordt in Heybridge bewaard en in leven gehouden in grote drijvende karen (houten visbunnen) en gedoseerd op de markt gebracht. Er wordt naar het voorbeeld van de ‘Helene’ ook een sleepschip met visbunnen gebouwd: de ‘Johan’ (33 x 5,6 m; zonder motor). Dit schip kon grote hoeveelheden paling (tot 50 ton) bevatten en gemakkelijk regelmatig naar zouter water gesleept worden.
In 1950 stond in Bloemendaal de ‘Visgroothandel Fa. Joh. Kuijten’ ingeschreven met de namen van de ‘oude heer’, zijn vrouw en zijn zonen Henk (Hendrikus Friedrich) en Frits (Frederik Joseph). Zoon Frits had een stuurmansdiploma en voer wellicht al voor de tweede wereldoorlog (mee) op de ‘Helene’. Zoon Henk kreeg de leiding over een dependance naast de sluis in Spaarndam. Ook hier werd levende paling verzameld en bewaard in bassins in een loods en karen in het open water.
Begin van de relatie met de Kuijtens
Na zijn ontslag bij de firma Dammers & vd Heide in mei 1948 komt Henk in aanraking met de familie Kuijten, die hem graag als kapitein op de ‘Helene’ wil hebben. Henk is tenslotte goed bekend met de Scandinavische en de Engelse wateren, spreekt vloeiend Deens en heeft met de ‘Prima’ ervaring opgedaan in de Middellandse zee. Allemaal aantrekkelijke eigenschappen voor de palinghandel van de familie Kuijten.

September 1948 treedt Henk in dienst van de firma Joh. Kuijten en monstert hij aan als kapitein op de ‘Helene’. In eerste instantie vind hij het ‘gedoe’ met die levende paling maar niks, maar het klikt goed met zowel de Kuijtens als met de bemanning. Er is wederzijds veel respect en de verhoudingen zijn familiair en weinig hiërarchisch. Henk besluit te blijven. Frits Kuijten vaart mee als stuurman en ook de ‘oude heer’ Kuijten is vaker aan boord, soms in de rol van matroos-motordrijver. Voor het contact met de lokale palinghandelaren is dit natuurlijk erg gunstig.
In het volgende jaar (1949) wordt de ‘Helene’ op een werf in Spaarndam verlengd. Ze heeft dan zestien open visbunnen, een dekhuis ter hoogte van de mast en ze meet nieuw netto 58,85 ton (i.p.v. de 45,11 ton daarvoor). In augustus komt het schip weer in de vaart. Er wordt paling opgehaald in Scandinavië en Noord-Ierland en levend naar Spaarndam en Heybridge gevaren.
De eerste jaren na de verlenging van de ‘Helene’
In 1950 vaart verslaggever A. de Jong van het weekblad ‘Schuttevaer’ mee op een reis van Spaarndam naar Heybridge Basin (bij Maldon in Oost-Engeland). Hiervan verschijnt een informatief verslag in het schippers weekblad. De bemanning op deze reis: Kapitein Henk dLvW, Stuurman Frits Kuijten, Matroos-Motordrijver Leen en Kok Jacob van de Ketterij.
In 1951 vaart de ‘Helene’ voor het eerst naar de Middellandse zee om in Zuid-Frankrijk paling op te halen. Het weekblad ‘Schuttevaer’ besteed ook hier uitgebreid aandacht aan. Op 2 januari 1951 vertrekken ze in IJmuiden en 19 dagen later komen ze aan in Martigue / Port-de-Bouc (westelijk van Marseille). Aan boord wordt gezongen bij de accordeon van Henk en ontstaat een verslag van de reis op rijm te zingen op de wijs van ‘Ketelbinkie’. In Martigue wordt het schip opgewacht door Henk’s vrouw Jo, die met de ‘oude heer’ Kuijten met de auto mee heeft kunnen rijden. Monsterrol van die reis: Kapitein Henk dLvW, Stuurman Frits Kuijten, Matroos-Motordrijver Anne Elzinga, Kok Jacob van de Ketterij.

Uit verschillende persberichten begin jaren ’50 blijkt dat de ‘Helene’ regelmatig in de volgende havens komt om paling te laden:
- Råå (onder Helsingborg), Zweden
- Ålabodarna (onder Helsingborg), Zweden
- Kerteminde (oostelijk van Odense), Denemarken
- Karrebæksminde (Denemarken)
Noorweegse havens - Larne (noordelijk van Belfast), Noord-Ierland
De paling wordt steeds afgeleverd in Engeland (Heybridge) en Nederland (Spaarndam en mogelijk ook Den Oever). Hier wordt ze gesorteerd op grootte, tijdelijk bewaard in bassins en met tankwagens geleverd in heel Europa tot Polen aan toe.
In de lentemaanden wordt voornamelijk gevaren op Denemarken en Zweden, daarna op Noorwegen. In de zomer is het rustiger met de vaart. In de herfst en winter vaart de Helene in de Middellandse zee met als thuisbasis Marseille. Paling wordt ingezameld in de verschillende landen rond deze zee en voor een deel vanuit Marseille met tankwagens naar Nederland vervoert.
De tijd in Haarlem
In 1954 verhuist het gezin van Henk naar Haarlem-Noord, op fietsafstand van Spaarndam waar de ‘Helene’ haar thuishaven heeft bij de firma Joh. Kuijten. Ook de ‘Carpe Diem’, het eigen schip van Henk, ligt daar afgemeerd aan een steiger. Henk heeft dan in de zomermaanden mooi de gelegenheid aan zijn eigen schip te werken.
Met de familie Kuijten ontstaat in loop der jaren een hechte vriendschap. Frits Kuijten vaart vaak mee als stuurman op de Helene. In de wintermaanden rijdt een van de Kuijtens wel vaker met de auto naar Marseille of Alicante om de Helene op te zoeken; Jo krijgt dan regelmatig de kans om mee te rijden. De verjaardagen Van Henk en Jo, Frits en Feik Kuijten (Bloemendaal), Henk en Ans Kuijten (Spaarndam) worden over en weer trouw bezocht. Ook met een van de jongere matroos-motordrijvers, Piet van Loon, heeft Henk een goede band. Hij is zelfs getuige op de bruiloft van Piet.

De sfeer aan boord was vriendschappelijk gemoedelijk. Tekenend hiervoor is dat op een van de reizen naar de Middellandse zee (met 5 december voor de boeg) er sinterklaaspakketjes voor de bemanning en een baard voor kapitein Sint meegingen.
Jacob (Japie) van de Ketterij, een kleurrijk figuur (voormalig visserman), voer jarenlang mee als kok. Hij had nooit leren zwemmen. Toen hij een keer in de haven over boord viel, werd hij door een ander bemanningslid snel opgevist. Eenmaal terug aan boord zag Japie zijn pet in water drijven, waarop hij er prompt weer in sprong. Als kok verstond hij het om zelfs aan boord brood te bakken. Toen de ‘Helene’ een keer terugkwam van een lange reis naar de Middellandse zee hebben we als gezin de aankomst van het schip in IJmuiden afgewacht. Nog buiten de sluizen gingen we aan boord om de bemanning te begroeten. Bij die gelegenheid werd ook tafel gedekt en brood opgediend. Met uitgestreken gezichten en zonder verder commentaar werden gewoon de beschimmelde stukken afgesneden en opzij gelegd. Blijkbaar was deze gang van zaken niet ongewoon.
De ‘Helene’ kreeg al snel apparatuur voor radiotelefonie aan boord. Hiermee kon via de ether contact opgenomen worden met Scheveningen Radio, die de gesprekken vervolgens kon doorverbinden naar telefoonaansluitingen aan de wal. Thuis aan de Vondelweg in Haarlem was hiervoor, in die tijd nog niet erg gebruikelijk, een telefoon geïnstalleerd. Dit klinkt mooi, maar was in de praktijk een hele uitdaging. Hoe verder weg van Nederland, hoe zwakker het signaal en de Nederlandse vissers waren met hun oproepen meestal actief en zeer luidruchtig aanwezig in de ether. Vanuit de Middellandse zee was er nauwelijks doorheen te komen. De oplossing was om te bellen in de nachtelijke uren. Dan nog moest Henk soms urenlang proberen om gehoor te krijgen bij Scheveningen Radio.

Zowel in de golf van Biskaje als in de Middellandse zee kon het bij stormweer behoorlijk ‘spoken’ en de ‘Helene’ was geen groot schip. Jo werd bij slecht weer snel ongerust en wachtte dan met smart op een bericht van boord dat alles goed gegaan was. De spanning in het huis aan de Vondelweg kon hierdoor behoorlijk oplopen. Geweldig, wanneer dan ergens in de nachtelijke uren het verlossende telefoontje kwam dat schip en bemanning veilig waren.
De ‘Helene’ was weliswaar zeewaardig maar naar verhouding slechts een betrekkelijk klein schip en daarmee kwetsbaar. Op de Middellandse zee kwam ooit zo’n enorme golf op het schip af, dat Henk de motor in zijn achteruit zette om er niet te hard tegenin te varen. Eens op de terugreis van Noord-Ierland kwam de Helene in de buurt van Land’s End (ZW kaap van Engeland) in zwaar weer terecht. Door de hoge golven werd op een gegeven moment de stuurhut kapot geslagen en stond Henk met een raamkozijn om zijn nek op de brug. Bij terugkomst is de houten stuurhut vervangen door een aluminium exemplaar en werd tegelijk de accommodatie op het achterschip wat verbeterd.

Einde van deze periode
September 1960 gaat Henk in de leeftijd van 58 jaar met zeemanspensioen om zich geheel op het varen met zijn eigen schip de ‘Carpe Diem’ te richten. Om de Kuijtens uit de brand te helpen, maakt hij daarna nog wel enkele afzonderlijke reizen met de ‘Helene’. Voor de laatste keer monstert hij in september 1963 nog eenmaal aan als stuurman. Kapitein is dan Nico van der Zwam die de vele jaren daarvoor altijd als stuurman gevaren heeft.
De firma Kuijten koopt in 1961 nog de fors grotere coasttanker ‘Mercurius’ van 1944 (Netto 161 ton; 43,3 x 8,25 m), gebruikt als benzinetanker en landingsvaartuig tegen het einde van de tweede wereldoorlog. Henk is nog gevraagd of hij hier niet mee wilde varen, maar dat heeft hij afgewezen. Het avontuur met dit nieuwe schip is overigens geen lang leven beschoren. In 1968 wordt het opgelegd en het jaar daarop verkocht.
Concurrentie in de palinghandel
In Spaarndam was naast de firma Joh. Kuijten noch een andere palinggroothandel actief, de firma W. Kok. Ook dit concurrerende bedrijf liet in 1950 een palingbunschip bouwen. De ‘Pieter Geertruida’ (Netto 63 Ton; 36,6 x 5,84 meter) kwam per Aug 1950 in de vaart en was net ietsje groter dan de ‘Helene’. Beiden konden echter rond de 50 ton aan paling laden. Uit een krantenartikel is bekend dat beide schepen in Kaerteminde (Denemarken) kwamen voor het laden van paling. De ‘Pieter Geertruida’ werd waarschijnlijk rond 1971 verkocht aan palinghandelaren in Italië.
Begintijd Haarlem (1953 – 1960)

Omdat Henk al een aantal jaren voor de firma Kuijten in Spaarndam vaart, de Helene ’s zomers in Spaarndam stilligt en ook het eigen schip de Carpe Diem daar zijn ligplaats heeft, verhuist het gezin in 1953 naar een eigen huis aan de Vondelweg 488 in Haarlem-Noord, dat Jo al 1949 heeft gekocht. De kinderen Piet, Wim en Jaap zijn dan respectievelijk 14, 9 en 4 jaar oud.
In het huis wonen op dat moment echter nog steeds huurders, die in de jaren daarvoor op geen enkel voorstel tot woningruil hebben willen ingaan. Henk en Jo besluiten om maar te gaan ‘inwonen’ op de eerste en tweede verdieping. Deze situatie duurt gelukkig niet lang; de huurders krijgen spoedig in de buurt een andere woning toegewezen.
Kort voor de verhuizing, op 1 februari 1953 wordt Zeeland getroffen door de watersnoodramp waarbij duizenden mensen omkomen. Zoon Piet wordt als padvinder ingezet bij de hulpverlening in Vlaardingen. Voor Jo is dit aanleiding om zich in Haarlem aan te melden als vrijwilliger bij de Bescherming Bevolking (BB), een civiele beschermingsorganisatie voor het verlenen van steun aan de bevolking bij de gevolgen van oorlogshandelingen en grote rampen. Ze blijft hierin actief tot eind jaren vijftig, ook met het volgen en geven van EHBO-cursussen en posten bij evenementen.
In 1956 volgt Jo een cursus voor mannequin, maar dat levert geen werk op. In 1958 begint ze te werken als verkoopster en demonstratrice voornamelijk op beurzen maar ook wel in winkels. Tijdens de beurzen logeert ‘tante’ Alice (Française en vrouw van een kennis van Henk) in het gezin om voor de kinderen te zorgen. Dit blijft voor het gezin nog vele jaren een vast patroon: in het voorjaar en najaar is Jo regelmatig één tot enkele weken afwezig en houdt ‘tante’ Alice het huishouden draaiende. Henk is tot aan zijn pensionering in 1960 in ieder geval gedurende het winterhalfjaar afwezig; hij vaart dan met het palingschip Helene in het Middellandse Zee gebied. In de zomer werkt hij aan de afbouw van de Carpe Diem, ook wel met hulp van een timmerman die op uurbasis meewerkt.
Belangrijk voor Jo in deze periode zijn ook de buren. In de jaren vijftig is er nog steeds grote woningnood. Op huisnummer 486 wonen in deze tijd op de eerste verdieping verschillende jonge echtparen in. Jo heeft met hen een bijzondere relatie als luisterend oor en praktische hulp. Het contact blijft soms ook na hun verhuizing bestaan.
Varen met de Carpe Diem (1960 – 1970)

In juni 1958 neemt Jo een hypotheek op het huis om de afbouw van het vakantieschip Carpe Diem door een werf te laten voltooien. Waarschijnlijk nog in hetzelfde jaar is de Carpe Diem vaarklaar. In 1959 brengt het gezin eerst zelf een vakantieweekje op het schip door. Van varen komt echter niet veel omdat op de eerste of tweede dag al een motorstoring optreedt. Met de vlet en de speciaal voor die gelegenheid aangeschafte buitenboordmotor lukt het gelukkig nog om het schip te verplaatsen. De vlet wordt dan gebruikt als een klein sleepbootje naast het schip.
In 1960 neemt Henk ontslag bij de firma Kuyten. Hij wil nu meer tijd gaan besteden aan het project Carpe Diem: daadwerkelijk gaan varen met gasten. Tussendoor vaart hij toch nog een aantal keer voor Kuyten, maar in 1962 volgt dan toch definitief zijn pensioen (als zeevarende met 60).
Vanaf 1960 wordt in de zomermaanden met passagiers gevaren, soms wel twaalf weken aaneengesloten. De groepen zijn heel divers: van Engelse schoolklassen tot ambassadepersoneel. Sommige groepen worden geheel verzorgd, Jo en aanstaande schoondochter Petra varen dan mee, andere groepen koken voor zichzelf of eten aan de wal. Als bemanning varen in ieder geval Henk als schipper en een dekknechtje mee. Zoon Jaap heeft zo menige zomer op de Carpe Diem doorgebracht, maar ook andere jongens hebben in loop van de tijd deze functie vervuld.
Er wordt vooral in West Nederland gevaren, van de Waddeneilanden tot in Zeeland. Het schip blijkt zeewaardig genoeg voor slechter weer op het IJsselmeer. Gasten dringen wel eens aan uit te varen bij harde wind, om vervolgens aan den lijve te ondervinden dat zwaar weer op open water niet voor iedereen een pretje is.
In 1963 overlijdt Piet, de vader van Henk. Hij woont dan al jaren bij zijn oudste dochter Jo in Uitgeest. Hij wordt in Dordrecht begraven in het familiegraf bij zijn vrouw Elizabeth. Op de grafsteen, die Piet in 1954 had laten maken, staat een afbeelding van de Azolla.
Dan komt ook het moment dat de kinderen het ouderlijk huis verlaten. In 1963 trouwt zoon Piet met Henny Kat, in 1965 zoon Wim met Petra Bronsveld. De jongste zoon Jaap stapt eind van het zomerseizoen van de Carpe Diem in 1967 over op het Zwitserse motorschip Schauenburg. Hij vaart als matroos op de Rijn tussen Rotterdam en Bazel en vindt regelmatig gelegenheid om familie in Rotterdam te bezoeken. Dit stopt echter in juni 1968. Jaap stapt van boord en begint een ICT-opleiding in Zwitserland. Hiermee zijn alle kinderen definitief uit huis en stopt uiteindelijk na zeven generaties het varende bestaan in deze lijn van de familie.
Kinderen uit huis (1970 – 1987)
Ongeveer in 1970 wordt de Carpe Diem verkocht. Het schip is te bewerkelijk geworden, met gasten wordt niet meer gevaren. Nog voor de uiteindelijke verkoop maken Henk en Jo nog een vaartocht met hun kinderen en kleinkinderen.
In de jaren daarna volgt Jo een bridgecursus en wordt lid van een bridgeclub; het gaat haar daarbij vooral om de sociale contacten. Henk blijft bezig met bootjes. Hij vaart met twee sleepbootjes door Frankrijk naar Libië (1974) en brengt nog een binnenvaartklipper van 33 meter van Zwijndrecht naar Dover (1977). Ca 1975 koopt Henk ergens in Zuid-Holland een vlet en Jo, met een impulsief besluit, de motorboot Avontuur. Met de Avontuur maken ze in de zomer van 1976 samen nog twee reizen, maar Jo kan dat maar matig bevallen en de Avontuur wordt spoedig weer verkocht. Henk zoekt nog een nieuwe uitdaging en koopt ca 1977 van de marine een oud open snelbootje (ca 6 meter lang), inmiddels echter zonder motor. Met hulp van een knutselaar met scheepswerfervaring krijgt het bootje een motor en een houten opbouw. De naam wordt Vitesse. Dit project duurt enkele jaren en is voor Henk een periode van enthousiast opbouwend bezig zijn. Er wordt niet veel mee gevaren; spoedig valt het besluit om de Vitesse te verkopen, maar dat blijkt niet mee te vallen. Uiteindelijk ligt de boot enkele seizoenen bij een jachtwerf in Harderwijk voordat hij verkocht kan worden. Als laatste wordt de vlet van de hand gedaan. Het werken met bootjes is vanwege lichamelijke klachten dan al erg bezwaarlijk geworden.
Van hun kinderen en kleinkinderen maken ze in die tijd helaas niet veel mee. Zoon Jaap verblijft sinds 1968 in Zwitserland en trouwt daar in 1978 met Marta Kost. Ze blijven daar in eerste instantie wonen, maar verhuizen 1985 naar Engeland. In 1986 verhuist ook Wim met zijn gezin naar Engeland. Gelukkig verhuizen Jaap en Marta in 1987 naar Berkel en Rodenrijs (ZH); zij zijn dan weer een beetje dichterbij. Goed dat oudste zoon Piet met Henny altijd vlak in de buurt is blijven wonen.
Kinderen in het buitenland zijn natuurlijk wel een goede aanleiding voor sporadische bezoekjes in Zwitserland en Engeland. Ook maken Henk en Jo samen nog verschillende vakantietripjes: naar Majorca, Wenen, Rome, Venetië en Malta. Voor hen beiden een geheel nieuwe ervaring.
Hun laatste jaren (1988 – 1994)
In maart 1988 vieren Henk en Jo hun 50-jarig huwelijksfeest; hun drie kinderen met partners en ook alle negen kleinkinderen zijn aanwezig. Het jongste kleinkind Hanna is net het jaar daarvoor geboren.
Op 24 december 1989, in de middag, overlijdt Henk. Ook na twee eerdere vaatoperaties aan beide benen dat jaar blijft hij veel last hebben van open wonden en pijn. De pijn wordt zo erg dat opnieuw opname in het ziekenhuis nodig is. Uiteindelijk wordt het zijn hart teveel en komt de melding van het ziekenhuis dat hij in coma geraakt is. Jo, Piet, Henny en Jaap hebben nog de gelegenheid even bij hem te zijn.
Na 1990 heeft Jo regelmatig last van bronchitis en zware vermoeidheid en in 1992 blijkt dat de capaciteit van haar longen sterk verminderd is. Mei 1994 kan ze nog deelnemen aan de bruiloft van haar kleindochter Joke in Manchester, maar heel kort daarna ontvangt ze de definitieve diagnose: kwaadaardige aantasting van de rechterlong met uitzaaiingen. Ze wil graag thuis blijven en hoopt dat haar een langdurig ziekbed bespaard zal worden. Haar krachten nemen snel af en er komt een bed beneden in de woonkamer. Ze overlijdt op 18 augustus 1994 ‘s nachts thuis in bed.